Column (1)
Laatst aangepast (dinsdag 30 november 1999 01:00)
01-05-2004
Dubbelbloed, halve vreugd?
In september verwachten wij ons eerste kind. En hoewel duizenden ouders ons al duizenden jaren zijn voorgegaan, blijft het voor ons een groots en uniek avontuur. In India, mijn land van herkomst, zou ons kind een bastaard en een halfbloed zijn. In Nederland is dat al lang niet meer politiek correct.
De term "bastaard" riekt naar achterlijk SGP fundamentalisme en de term "halfbloed" naar ongegronde rassentheorieën. Maar ook de moderne en veel meer geaccepteerde term 'dubbelbloed', bekoort mij nauwelijks. Inderdaad klinkt het stukken beter dan halfbloed en duidt het eerder op meer dan minder, maar het blijft een gekunstelde term die, voor mijn gevoel, de lading niet dekt!
Klap op de vuurpijl van mijn toorn is wel het feit dat niet-westerse dubbelbloed kinderen, vanuit overheidswege in de categorie 'allochtoon' vallen, afgeleid van het Griekse woord voor vreemdeling! Nu er in Nederland volop gemixt wordt en het aantal dubbelbloed kinderen exponentieel toeneemt, moeten wij dus vanuit CBS perspectief concluderen dat Nederland volstroomt met vreemdelingen. Dat vind ik pas vreemd!
Mijn partner zou daar behoorlijk veel last van moeten hebben en gedwongen spreiding moeten eisen. Zijn zus is namelijk uit twee Nederlandse ouders geboren, maar wel op Curaçao. Zij heeft op haar beurt weer drie Nederlandse kinderen gebaard en wel in Veenendaal. Dit betekent dat de zus, nichten, neven, vrouw en toekomstige kinderen van mijn partner allemaal allochtoon zijn. Een hoogst onwenselijke concentratie, volgens meerdere politieke partijen.
Over wenselijke termen kunnen we eindeloos en abstract discussiëren maar ons kind is straks een concrete werkelijkheid. Een wezentje met een eigen unieke opmaak dat vanuit allerlei bronnen bagage krijgt. Misschien moet ik niet proberen om ons kind te categoriseren. "Hij wordt gewoon Nederlands en hij komt hier vandaan. Hij heeft niets te maken met jouw exotische achtergrond en daar moet je hem ook niet mee lastigvallen", roepen mijn vrienden beslist. Maar ook dat klopt niet, vind ik. Ons kind is zeker geen vreemdeling, maar ook niet gewoon Nederlands, wat dat ook moge zijn!
Ik ben de eerste die in de gordijnen klimt wanneer iemand, in het kader van kleur of culturele achtergrond, 'soort zoekt soort' roept. Toch moet ik constateren dat mijn vriendenkring voor een groot deel uit gemengde stellen bestaat en dat ik juist met deze stellen veel kan delen en veel herken van de interculturele uitdagingen en dilemma's die zich in onze relaties voordoen. Blijkbaar is er wel degelijk iets dat ons bindt en een beetje anders maakt. "Een beetje vreemd, maar wel lekker", zou ik bijna zeggen.
Nu wij ouders worden, merk ik dat wij bij elkaar aftasten hoe wij ons nageslacht willen opvoeden, welke waarden we belangrijk vinden en waarom, wat wij van elkaar verwachten en wat wij vanzelfsprekend vinden en wat niet. Het is een heus onderhandelproces waarbij we beiden stuiten op zaken die we, al dan niet bewust, vanuit onze verschillende culturele achtergronden heel vanzelfsprekend vinden, maar niet per definitie delen.
Los van de verhitte discussies die dit aftastproces met zich meebrengt, vind ik het een voorrecht dat ons kind zo natuurlijk en zo makkelijk toegang krijgt tot meerdere werelden, talen, culturele achtergronden en referentiekaders. De term allochtoon wordt steeds vaker geassocieerd met moeizaam en kansarm, maar ik vind de opmars van deze jonge wereldburgertjes vooral boeiend en kansrijk - en niet alleen voor henzelf!
Als wij als gezin dit inburgerings- en wederzijds aanpassingsproces tot een goed einde brengen en een mensje helpen vormen dat met een goed gevulde koffer met culturele bagage zijn eigen plek onder de zon vindt, gloort er hoop aan de horizon van onze maatschappij, en ons universum, waar straks niemand meer voor half of dubbel telt.
Maya Mathias, mei 2004

